“Het feit dat vrouwen geen gelijke rechten krijgen, is een rem op de vooruitgang”

Enkele dagen na de regeringscrisis rond het VN-migratiepact, heb ik een afspraak met CD&V-politici Els Van Hoof en Bianca Debaets. Door de politieke heisa ligt hun agenda danig overhoop, maar toch maken ze graag tijd voor een boeiend gesprek over ontwikkelingssamenwerking, onderwijs en gelijke kansen.

Els Van Hoof (CD&V) is Belgisch parlementslid, schepen in Leuven en voormalig voorzitter van CD&V Vrouw & Maatschappij. Tevens lid van de Raad van Bestuur van VIA Don Bosco.

Bianca Debaets (CD&V) is staatssecretaris in de Brusselse regering en gemeenteraadslid in de Stad Brussel. 


Als Federaal volksvertegenwoordiger en staatssecretaris in de Brusselse regering volgen jullie beiden de thema’s ontwikkelingssamenwerking en gelijke kansen op. Wat houdt dat concreet in binnen jullie portefeuille?

Van Hoof: Ik heb vroeger nog voor een ngo gewerkt en zat daarvoor op het kabinet van Reginald Moreel (voormalig minister van ontwikkelingssamenwerking, red.). Vanuit die ervaring volg ik nu in de commissie Buitenlandse Zaken het thema ontwikkelingssamenwerking op, en meer bepaald het beleid van minister Alexander De Croo. Hij heeft de voorbije jaren toch een stempel gedrukt met zijn betrachting om de privésector binnen te brengen in ontwikkelingssamenwerking. Ik heb daar nogal kritisch naar gekeken. De privésector is een belangrijke partner in ontwikkelingssamenwerking, maar het is van belang dat we de privésector ter plaatse ontwikkelen. Het kan niet de bedoeling zijn om bedrijven in België een appeltje voor de dorst te geven in Afrika. Ze moeten bijdragen met hun knowhow, kennis en investeringen. En daarnaast vereist het bestrijden van extreme armoede ook investering in onderwijs, volksgezondheid, sociale bescherming en landbouw. Zeggen dat die zaken automatisch zullen gebeuren door economische groei, klopt niet. We weten dat er sociale correcties nodig zijn.

Debaets: Het Brusselse budget voor ontwikkelingssamenwerking is natuurlijk niet te vergelijken met het federale budget. Maar we vonden het toch belangrijk om daarrond te werken. Concreet werken we samen met vier grootstedelijke regio’s in het Zuiden rond vier thema’s: klimaat, gender, economie/waardig werk en inclusie. Daarnaast hebben we ook een noordwerking met als jaarlijks hoogtepunt een publieksevent rond Fair Trade.

Wat vinden jullie zelf belangrijk binnen het beleid rond ontwikkelingssamenwerking? Welke thema’s proberen jullie op de agenda te zetten?

Debaets: Iets waarvoor ik erg gevoelig ben, is dat vrouwen harder worden getroffen door ongelijkheid en armoede. Dat heb ik bijvoorbeeld gemerkt in Chennai (India, red.), waar ik een centrum bezocht voor vrouwen met brandwonden. Het komt daar regelmatig voor dat vrouwen, wanneer het vermoeden bestaat – vaak op niets gebaseerd – dat ze overspel plegen, door de schoonfamilie worden overgoten met kokende olie en in brand gestoken. 150 vrouwen per maand komen zo het centrum binnen. Dergelijke centra zijn van levensbelang. Ik vind die insteek rond de kwetsbaarheid van meisjes en vrouwen heel belangrijk.

Van Hoof: Met een meer liberaal beleid merk je dat het investeren van overheidsmiddelen in ontwikkelingssamenwerking afneemt. Vandaar dat één van de aandachtspunten voor mij blijft dat 0,7 procent van ons Bruto Nationaal Product naar ontwikkelingslanden moet gaan. Dat is echt niet veel. We zitten nu aan 0,4 à 0,5 procent (0,45 procent in 2017, wat onder het Europese gemiddelde ligt, red.). Je voelt een conservatieve trend om geen middelen meer te geven aan ontwikkelingslanden, tenzij aan landen waarvan migratie afkomstig is. Maar alles investeren in eigen land en niets meer uit solidariteit, dat is niet waar wij als partij voor staan. 

Onderwijs is ook een thema dat jullie nauw aan het hart ligt. Leg eens uit waarom?

Van Hoof: Onderwijs is de basis voor vooruitgang, zeker wat vrouwen betreft. Ik heb in het parlement gewerkt rond genitale verminking. Men weet gewoon dat dit veel minder voorkomt in regio’s waar vrouwen meer opgeleid zijn. Opleiding leidt tot vooruitgang. Ook beroepsonderwijs en het behalen van een arbeidsmarktgericht diploma is enorm belangrijk, omdat jongeren dan ter plaatse iets kunnen opbouwen.

Debaets: Het is evident dat onderwijs een belangrijke hefboom is. Samen met ‘Close the Gap’ hebben we een digitruck ingericht, een mobiele digitale klas die rondtrekt van wijk naar wijk om jongeren IT-skills aan te leren. Heel veel jongeren in het Zuiden hebben een smartphone, maar kunnen er niet goed mee werken. Hetzelfde stelden we vast bij een aantal vrouwelijke ondernemers, terwijl IT-skills essentieel zijn om handelsactiviteiten uit te bouwen. Daarom zijn we begonnen met het opleiden van jongeren en vrouwen.

Jullie strijden beiden voor gelijke kansen en gelijke behandeling van man en vrouw. Wat loopt er fout?

Debaets: Ik heb de voorbije twintig jaar gemerkt dat er op dat vlak niet veel verandert als vrouwen niet aan de kar trekken, ook in de politiek. In India bijvoorbeeld zijn 11 procent van de parlementsleden vrouwen. Slechts 27 procent van de vrouwen is actief op de arbeidsmarkt en het zijn ook weer vrouwen die vaak in de allerslechtste jobs terechtkomen. 

Wat mij heel erg getroffen heeft in Chennai, was de beslissing van de overheid om de slums te sluiten en betere huisvesting te creëren voor de bewoners. Ze hebben betonnen blokken opgetrokken om die mensen een dak boven het hoofd te bieden. Een nobele doelstelling zou je denken, ware het niet dat ze dat 60 km buiten de stad hebben gedaan en dat plots het geld op was voor de binneninrichting. Het resultaat was dat de vrouwen die als huispersoneel werkten voor een familie en daar dichtbij woonden, nu plots zestig kilometer verder zaten – in lege betonnen constructies nota bene – en daardoor hun job kwijtspeelden. Ze zijn opnieuw het eerste slachtoffer.

Van Hoof: Vrouwen hier bij ons hebben in theorie gelijke rechten, maar de facto bestaat het glazen plafond nog steeds. Door quota zijn we al heel wat vooruit gegaan, maar vanaf het moment dat die wegvallen, zie je het percentage vrouwen ongelofelijk dalen. Dat blijft mondiaal een grote uitdaging. In bepaalde landen bestaat er zelfs nog geen rechterlijke gelijkheid tussen man en vrouw. Veel vrouwen in Afrika hebben bijvoorbeeld geen recht op grond of krediet. Meer dan 50 procent van de vrouwen werkt er in de landbouw, maar slechts 15 procent heeft gebruiksrecht op de grond en slechts 1 procent bezit zelf grond. Als al die vrouwen dezelfde toegang zouden hebben tot financiële middelen, dan zou hun oogst met 20 tot 30 procent stijgen en zouden tot 150 miljoen mensen uit de honger kunnen worden getild. Het feit dat vrouwen geen gelijke rechten krijgen, is dus een rem op de vooruitgang.

Een rechtvaardige wereld moet op alle fronten aangepakt worden. Wat is volgens jullie het belang van wereldburgerschapseducatie hier in België?

Debaets: We werken via de Brusselse studenten rond solidair wereldburgerschap. Iedereen zit een beetje opgesloten in de eigen smartphonewereld en we zijn heel erg op het individu gericht. We moeten mensen bijbrengen dat empathie belangrijk is en dat miljoenen mensen, ondanks hard werken, nauwelijks rondkomen, het slachtoffer zijn van geweld, etc. Solidariteit moet breder gaan dan enkel de mensen rondom jou. Het is eigenlijk onze plicht om te helpen.

Van Hoof: Je mag niet verwachten dat kinderen uit zichzelf gaan beseffen hoe belangrijk solidariteit is. Dat vraagt onderwijs en opvoeding. Kinderen moeten bijvoorbeeld leren waarom mensen migreren. Op dit moment is de negatieve perceptie rond vluchtelingen enorm. Ik denk dat het heel belangrijk is om, gezien het feit dat we nu allemaal verbonden zijn, een soort buddysysteem op te zetten tussen klassen hier en klassen daar. Want het is door het gezicht van de ander te zien en te beseffen hoe ze daar leven, dat je eigenlijk een stukje solidariteit gaat aanleren. Ik voel bij jullie allebei een groot sociaal engagement.

Hoe is dat ontstaan? En was het ook jullie drijfveer om in de politiek te stappen?

Debaets: Ik heb het met de paplepel meegekregen. Mijn ouders waren niet politiek actief, maar wel sociaal betrokken in tal van verenigingen. Mijn sociaal engagement is later dan versterkt door naar Brussel te verhuizen. Als je in Brussel woont, word je voortdurend met ongelijkheid geconfronteerd en kan je niet onverschillig blijven. Voor mij was dat zeker een drijfveer om mij politiek te engageren.

Van Hoof: Als eerste job werkte ik rond gelijke kansen bij Miet Smet, de moeder der feministen in België. En daarna Reginald Moreels, een erg gepassioneerd en betrokken persoon die op het vlak van ontwikkelingssamenwerking heel wat bakens heeft verzet. Dus ik heb een goede leerschool gehad in sociale rechtvaardigheid.

Ik was eigenlijk niet van plan om in de politiek te stappen, maar het zijn zij die mij daartoe hebben aangezet en geïnspireerd. Ik hoor Reginald nog zeggen: “Als alle gedegouteerden aan de kant blijven staan, dan blijven alleen maar de degoutanten over”.

Bron: Samen op weg, 2019/2, p.3-5

Bram Reekmans • VIA Don Bosco, • geplaatst op 17 juni 2019

SAMENLEVING , MENSENRECHTEN