Eens een ander boek op de plank Een Franstalige roman

Véronique Olmi, Joséphine Bakhita, Parijs, Albin Michel 2017, 456 blz.
Uit Thomas KU Leuven

Interview met Roger Burggraeve over Josephina Bakhita.

Ik ontmoet prof. em. Roger Burggraeve, sdb, op de derde verdieping van het Heilige Geestcollege te Leuven. Op deze zonnige doordeweekse dag mocht ik een bevlogen relaas aanhoren van zijn kennismaking met Bakhita én hoe haar verhaal hem heeft geraakt.

Hoe heeft u Bakhita ‘leren kennen’? 

RB: Ik was voor enkele dagen uitgenodigd in de abdij van West-Vleteren. Ik had het boek ‘Bakhita’ van Veronique Olmi in mijn reistas gestoken ter ontspanning. Iemand had me dit boek aangeraden én het heeft ook de Fnac-prijs 2017 gewonnen. Ik begon erin te lezen en raakte meteen verslingerd aan het verhaal én de manier waarop Olmi dit had neergeschreven. De broeders vroegen me om een uiteenzetting te geven maar ik zei ‘Ik ga hier niet te lang spreken want ik wil verder lezen.’.

De volgende dag kwam een van de broeders naar mij en zei: ‘Het is vandaag haar feestdag.’ (8 februari – nvdr). Hij vertelde me dat de verfilming van Bakhita’s leven ook online te vinden is.

Enkele dagen later zat ik thuis in mijn zetel te zappen. Als bij toeval zonden ze toen deze film uit op een Franstalige zender.

- Over de opbouw van het boek

RB: Het eerste deel van het boek heet ‘Van de slavernij naar de vrijheid’. Olmi heeft dit verhaal zeer accuraat opgetekend, ze heeft zeker grondig research gedaan. Zo is ze o.a. in de archieven gedoken die de zusters van het klooster, waar Bakhita haar religieuze leven heeft doorgebracht, hadden bijgehouden. Er was echter niet veel te vinden want Bakhita heeft zeer veel moeite gehad om haar eigen levensverhaal te herinneren. Ze had het als het ware volledig verdrukt. De Italiaanse zusters in die tijd waren echter heel nieuwsgierig geweest – Bakhita was immers in vele opzichten ‘een vreemde’. Toch lukte het Bakhita niet om haar verhaal te vertellen. Enige tijd later merkte één van de zusters op dat Bakhita eigenaardige ‘verhaaltjes’ vertelde aan de kinderen waar ze moest op passen. De zuster luisterde aandachtig en begon te vermoeden dat hat Bakhita’s eigen verhaal was dat ze in stukken en brokken vertelde aan de kinderen. De zusters hebben toen getracht dit verhaal te noteren en te bewaren. Deze reconstructie was echter niet zo eenvoudig want Bakhita heeft altijd moeite gehad met de taal.

Het zijn deze gebundelde notities (‘Storia meravigliosa’) die Olmi heeft geraadpleegd voor het schrijven van het boek. Olmi noemt het zelf ‘een wonderbaarlijke geschiedenis’. Daarnaast heeft Olmi ook mensen geraadpleegd die haar nog gekend hebben.

Wat sprak u aan in het verhaal van Bakhita? 

- Jezus als slaaf

RB: In de levensgeschiedenis van Bakhita was ik zelf heel erg getroffen door het absolute systeem van de slavernij. Slavernij behoorde in die tijd tot de cultuur. En dat systeem kan maar blijven bestaan als het georganiseerd is als een geoliede machine. Het is een onverbiddelijk asociaal systeem, dat ook helemaal asociaal is, met zijn structuren, handlangers en hiërarchieën: “de onverbiddelijke organisatie van de slavernij”, “de wereld van het georganiseerde geweld en de evidente terreur van het geweld” (Olmi).

Zo heb je bijvoorbeeld de schakers. Zij stelen (schaken) opgroeiende en heel jonge kinderen uit de nabije plattelandsdorpen. Zowel jongens als meisjes worden hierbij ontvoerd en tot slaaf gemaakt. Ze organiseerden razzia’s en staken de dorpen in brand. Je moet weten dat deze schakers ook zwarten waren, en/of Arabieren. Dit is misschien iets wat we soms dreigen te vergeten als we nadenken over de geschiedenis van de slavernij. Dit was geen uitdrukking van kolonialisme maar een puur economische zet, die Arabieren deden dat om een centje bij te verdienen. Slavernij maakte gewoon deel uit van het sociaal en economisch systeem.

Dan heb je ook de verkopers, die behoorden tot de rijkere klasse. Zij nemen die kinderen mee in een karavaan van markt tot markt. Daar proberen ze hen te verkopen als beesten. Ze onderhandelden over de prijs van hun koopwaar. Ze voerden ‘medische’ controles uit door hun mond te openen, hun ogen, hun vagina. Dit alles gebeurde niet zachthandig. Slaven kregen regelmatig stokslagen, moesten grote afstanden afleggen te voet en geketend. Dit is voor mij de totale objectivering van de persoon, je bent geen mens meer, je bent een ding. En dit alles gebeurde met de grootste evidentie. Wanneer een slaaf niet verkochte geraakte, lieten ze hem/haar achter aan de kant van de weg.(Verontwaardigd) Niemand bekommerde zich om deze mensen. En als ze stierven of liever ‘crepeerden’, werden ze niet eens begraven. Olmi schrijft in haar roman: “dood zonder riten, noch begrafenis; een dood voorbij de dood: het zijn geen mensen die sterven, het is een systeem dat overleeft”

Je had ook bewakers in zo’n karavaan maar die waren totaal onverschillig. Om het met de woorden van Bakhita in het boek te zeggen: ‘Ik voelde me midden in het onzichtbare, in het donker. De tijd viel samen met de angst, de nacht. Na deze nacht kwam gewoon een nieuwe nacht.’

Dit deed me heel erg denken aan Emmanuel Levinas en zijn idee van het ‘Il y a’ (er is). Niet ‘ik ben’ of ‘jij bent’ maar ‘er is’ in het algemeen, onzijdig, onbepaald. De mens, de slaaf als object of nog beter ‘onpersoonlijk’. Bakhita zegt zelf ‘slaven wonen nergens’.

Soms werd het beter: als de slaaf verkocht werd, kreeg hij of zij een goede baas maar soms ook niet. Bakhita zelf heeft heel veel geleden. Ze was hieraan totaal onderworpen. Een voorbeeld hiervan is het verhaal waarbij ze verkracht wordt door de oudste zoon van het gezin waar ze toen verbleef. Hij ging bijna trouwen en mocht op Bakhita zijn seksuele ervaringen uitproberen. Bakhita was toen 9 jaar. Daarna was ze voor de eigenaars niets meer waard. Ze vonden haar ‘een kapot stuk speelgoed’. Ze had voorgoed haar onschuld verloren.. en was dus economisch waardeloos geworden. Ze werd opnieuw verkocht.

Ik vind de slavernij een heel belangrijke metafoor voor elke plek, in de samenleving, in een groep, in de klas, waar mensen niet meer voor zichzelf tellen.

Wanneer Bakhita als volwassene voor het eerst een kruisbeeld ziet, herkent zij daarin Jezus als slaaf. Ze zegt: ‘een slaaf zoals ik’. Ik vond dit zeer verrassend want wij, christenen, gaan in Jezus op het kruis meteen de verlossers, de redder herkennen. Hij die gestorven is voor onze zonden, de genezer. Maar zij ziet in hem een slachtoffer, bespuwd en bespot, slachtoffer van het kwaad dat de één de ander aandoet. Hij is achtervolgd geweest en vernederd. Net zoals Bakhita. Ik vind dit een zeer krachtig beeld om over Jezus en zijn lijden na te denken. Dat beeld is me dan ook bijgebleven. Ik heb daardoor ook Jezus leren anders begrijpen. Eerst was hij slachtoffer van het kwaad van anderen, waardoor hij het ‘beeld’ (de ‘icoon’) is geworden van ieder die slachtoffer is van anderen. Jezus heeft dat kwaad niet enkel ondergaan maar ook op zich genomen, waardoor hij ook genezing geworden is.

- Onaantastbaarheid

RB vervolgt: Maar toch, ondanks alles, al het lijden, is het systeem (van de slavernij) nooit in staat geweest haar te vernietigen. Daarin is ze onaantastbaar. Eigenlijk, als je haar levensverhaal leest, merk je dat ze in alles is aangetast, in haar mens-zijn, in haar vrouw-zijn (cfr. het misbruik en de verkrachting). Maar toch krijgt dit haar innerlijkheid, haal ziel niet kapot.

Dit blijkt voor mij o.a. uit het feit dat ze veel heeft aan bepaalde herinneringen, die haar niet verlaten hebben.

Ze herinnert zich haar naam niet meer. Dit is iets wat mij als gelovige diep raakt want tijdens het doopsel krijg jij jouw naam en deze staat onuitwisbaar geschreven in de palm van Gods hand. Hiermee drukken we uit dat jij de moeite waard bent, dat jij kostbaar bent, dat jij onaantastbaar bent. Het is pas later dat ze haar de naam Bakhita geven, wat ‘chancheuse’ of ‘gelukzak’ betekent.

Maar Bakhita herinnert zich wel dat haar moeder haar vaak zei ‘jij bent goed en zacht’. Ze heeft dit altijd onthouden én heeft er zelfs een opdracht in herkend. Ze wil zijn zoals haar moeder haar benoemde ‘goed en zacht’. En ondanks al het lijden als slaaf, hebben ze haar deze herinnering niet kunnen afpakken. Zo leert ze in de slavenkaravaan een meisje kennen, Binah. Ze worden vriendinnen en Bakhita zegt tegen haar: ‘Ik houd je hand vast en ik laat je niet meer los’. Ook dit is één van de herinneringen die ze heeft aan haar moeder. Haar moeder had haar vaak gezegd om de hand van haar zus vast te pakken en die niet los te laten. Toen Bakhita Binah ontmoette, trekt ze zich het lot van dat meisje aan. Later, als zuster, leert ze ook de kinderen van het weeshuis om elkaar handjes te geven en niet los te laten.

Hoewel Bakhita altijd een vreemde is gebleven – kinderen en volwassenen in die tijd wreven over haar gezicht om te kijken of haar zwarte huid afgaf, haar bijnaam was ‘La Moretta’ (de zwarte) – had ze steeds een warm contact met mensen en vooral kinderen. Er was iets in haar omgang dat bijzonder was. Ze had veel aandacht voor die kinderen waarvan ze merkte dat ze uitgesloten werden. Ook dit kan je zien in het licht van haar eigen levensverhaal. Ze verzet zich tegen die kleine tekenen van onrecht en doet dat op een goede en zachte manier. ‘erkenning zonder hiërarchie’, noemt Olmi het.

- Veerkracht ondanks zichzelf

RB: Deze vorm van innerlijkheid vind ik heel belangrijk. Zelfs in de meest onmenselijke situaties kan de mens ontsnappen in de eigen innerlijkheid. Het gaat hier niet om naastenliefde maar om de eigen ziel, het kunnen en durven om die eigenheid te beschermen. Dat is de ultieme vrijheid. Het gaat hierbij niet om ‘ik doe wat ik wil’ maar om jezelf te beschermen tegen krachten of systemen die jou willen vernietigen (vb. slavernij). Het is niet een vrijheid die van een ander komt, die door een ander aan mij gegeven wordt die eerst komt, maar mijn eigen vrijheid. Olmi schrijft: “Een deel van haar was ‘abda’ (slavin), het andere deel was vrij gebleven: elke avond vluchtte ze in haar hoofd op de knieën van haar vader, waarop ze in slaap viel’.

En Bakhita is voor mij zo’n figuur die deze onaantastbaarheid blijft behouden. Zij is geen krachtpatser, is niet sterk intellectueel maar toch is ze een krachtige figuur. Zo zegt ze bijvoorbeeld ‘Jezus is mijn enige meester’, waarmee ze wil zeggen ‘niemand anders is mijn baas’. Dit is een resolute ‘neen’ tegen elk systeem dat haar tot slaaf wil maken. Ook in het klooster, want dat is ook een systeem, behoudt ze heel erg haar eigenheid. Ze gaat heel lichtvoetig om met de kloosterregels. Zonder ongehoorzaam te zijn, behoudt ze haar innerlijke vrijheid, in alle eenvoud en onbevangenheid.

Die innerlijkheid heeft iets emancipatorisch. Je zou kunnen zeggen dat het te maken heeft met resillience – veerkracht. Maar ze doet dat zonder er zelf weet van te hebben. Ze doet dat niet om zichzelf te bewijzen. Het is een veerkracht ondanks zichzelf. Dit is een zeer hoopvol iets en dat vind ik echt mooi. Het heeft in mij een diepe ontroering gewekt!

Bron: Thomas KU Leuven

Boekenplank • Salesianen van Don Bosco, • geplaatst op 04 juni 2018